Tienercollege Florès

In Enschede, net buiten de singel, staat een kleine school aan de Dotterbloemstraat: Tienercollege Florès. De tieners, verspreid over groep 7 t/m 10, krijgen hier alle tijd om zich te ontwikkelen in een kleinschalige omgeving met veel persoonlijke aandacht en maatwerk. Pas na groep 10 volgt een advies voor het voortgezet onderwijs en stromen ze uit naar klas 3. Schoolleiders Mitchell ter Haar en Karin Mast zijn laaiend enthousiast: ‘Het uitgestelde VO-advies snijdt hout, de vervolgscholen zijn tevreden én leerlingen die zijn afgezwaaid steken hun hoofd af en toe nog om de deur. Dat zegt genoeg, toch?’
Sprong in het diepe
Tienercollege Florès is een samenwerking tussen Het Stedelijk en basisschool La Res: Karin Mast is afkomstig van Het Stedelijk en Mitchell ter Haar van La Res. Samen sprongen ze in 2020 in het diepe en werden ze schoolleider van het Tienercollege. Mitchell: ‘Daar ging een intensief schooljaar aan vooraf. We hadden een ontwikkelgroep samengesteld en hebben ons door een bureau laten begeleiden in agile werken. Dat gaf ons de mogelijkheid om in slechts een jaar tijd een visie te formuleren en alle praktische zaken uit te werken. We zaten toen al op deze locatie met groep 7 en 8 van La Res. In 2020 gingen we officieel van start en hebben we daar een groep 9 aan toegevoegd. Inmiddels zitten we midden in ons derde schooljaar en hebben we – naast de groepen 7 en 8 – twee groepen 9 en twee groepen 10. Elk jaar groeit het leerlingaantal. De grootste groep telt 19 leerlingen, de kleinste twaalf.’
Gedifferentieerd leren
Op Tienercollege Florès krijgen de leerlingen per vak onderwijs op hun eigen niveau, een beetje vergelijkbaar met de werkwijze in het PO. Mitchell: ‘Denk je eens in dat het hartstikke goed gaat met wiskunde en dat je dan van je leraar een moeilijker boek krijgt. Dat is zo’n groeimoment voor een leerling. Andersom gebeurt natuurlijk ook: een leerling krijgt een ander boek voor Nederlands omdat ze te veel worstelt met de leerstof. Wanneer ze daarmee aan de slag gaat en merkt dat ze die leerstof wel begrijpt, dan voelt ze zich gezien én krijgt ze meer succeservaringen.’ ‘Dit vraagt overigens wel veel van onze collega’s’, benadrukt Karin. ‘Er wordt topsport van ze gevraagd. Ze moeten zich buiten de eigen comfort zone bewegen. Vooral onze VO-docenten moeten meer differentiëren dan ooit tevoren. Maar het is zo’n cadeau voor de leerlingen. Het eigenlijk best bijzonder dat we leerlingen advies geven op basis van hetgeen ze hebben laten zien in het PO. Wij zijn ervan overtuigd dat werken met VO-lesstof en dan gaandeweg ontdekken welk niveau een leerling aankan, een
veel betere voorspeller is.’
Coachen, volgen en evalueren
Karin vervolgt: ‘De eerste lichting van het Tienercollege is dit schooljaar begonnen in de derde klas. Daar zijn we op bezoek geweest om de overstap te evalueren. Het waren allemaal positieve gesprekken. Alle leerlingen draaien goed mee. De huidige leerkrachten vinden bovendien dat we leerlingen hebben afgeleverd die open zijn, een vraag durven stellen en zich makkelijk aanpassen. Ik durf wel te stellen dat dit komt omdat we elke leerling coachen. Minimaal één keer per week heeft de coach – meestal de mentor – een gesprek met de leerling: hoe gaat het, waar loop je tegenaan? In groep 7 en 8 gaat dat vooral om praktische zaken: Het huiswerk is niet af, Hoe moet ik dit leren?, Ik kan thuis niet goed werken. Na verloop van tijd verschuift het onderwerp naar doelen stellen; daarmee volg je de leerling en die voelt zich gezien. In de hogere groepen draaien de coachingsgesprekken meer om de profielkeuze, het naderende advies, en vragen als: Wat kan ik doen om dat ene vak op te halen? Wij zijn daardoor goed in staat om leerlingen te begeleiden en hun potentieel te zien. 60% van de leerlingen hebben we een ander advies gegeven: 40% kreeg advies voor een meer theoretisch niveau dan waarmee ze waren binnengekomen; 20% kreeg het advies een meer praktische VO-school te kiezen. Beide is mooi, omdat we beter hebben kunnen aansluiten bij de capaciteiten van het kind.’
Een hobbelige weg
Uiteraard ging niet alles van een leien dakje. Karin: ‘Met name voor onze VO-docenten was de opzet van deze tienerschool een hele uitdaging. Mensen gingen met ziel en zaligheid erin, maar je vak aanbieden op meerdere niveaus, dat is in het VO niet gebruikelijk en sommigen liepen daarop vast. Je moet je vak echt goed kennen om te kunnen bepalen wat een leerling moet kennen op een bepaald schoolniveau en vanaf welk punt het een niveau hoger is. Dat was best een struggle, maar na twee jaar hebben we een team waarmee we kunnen doorbouwen.’ ‘Cultuurverschillen waren ook onderdeel van het groeiproces’, haakt Mitchell daarop aan. ‘In het VO kun je een lesuur laten vervallen of een tussenuur geven. Dat kennen we niet in het PO. Je regelt een invalleerkracht of de directeur gaat voor de klas. En het VO gebruikt de eerste maandag na de zomervakantie om met het team op te starten; de leerlingen zijn dan nog vrij. Het PO is gewend dit te doen op de laatste vrijdag van de vakantie. Dat zijn van die praktische dingen waar je het gesprek over moet voeren met elkaar.’
Vooral mee doorgaan
‘Maar we komen er altijd uit, omdat we allemaal sterk geloven in dit concept,’ concludeert Karin. ‘Dankzij ons concept kunnen kinderen eerst ongehinderd en vrij doorgroeien voor ze een bepaalde richting inslaan.’ Mitchell: ‘Er kwam in het begin weliswaar veel kunst- en vliegwerk bij kijken en het is nog steeds erg intensief. Maar de structuur wordt steeds steviger en als je merkt hoe tevreden de ouders en blij de leerlingen zijn die hier weg gaan na groep 10, dan weet je zeker: we moeten hier vooral mee doorgaan.’
